Gijsbrechtgaarde 911


Huisbiografie · voorbeeldboek
Het complete boek over één adres, precies zoals een klant het in de leeskamer leest.
Het onderzoek, de bronnen en de vondsten in dit boek zijn echt en te controleren. Verzonnen is het huisnummer: Gijsbrechtgaarde 911 bestaat niet. Het echte huis wordt bewoond, en een voorbeeld op een openbare website wijst niet naar iemands voordeur. Om dezelfde reden zijn de postcode en de nummers uit de basisregistraties weggelaten, en de coördinaten afgerond. De kaart van nu, die het huis in rood aanwijst, staat niet in dit voorbeeld. Vier krantenknipsels zijn jonger dan zeventig jaar: die staan wel in het boek, maar niet in dit openbare voorbeeld. Verzonnen is perceel AC 99999: een perceelnummer opent in het kadaster de eigenaar en de koopsom, en dat hoort niet op een openbare website. Alles wat je hier leest gaat over de plek, het gebouw en de straat.
Het laatste stuk van het veld
Dit boek gaat over Gijsbrechtgaarde 911, Apeldoorn: over het huis, de grond eronder, de straat en Apeldoorn eromheen. Een huis vertelt zelden alles zelf. Wie wil weten waarom het hier staat, kijkt ook naar de buren, de kaart en de krant.
Alles wat je leest komt uit bronnen die voor iedereen openstaan: kranten uit de krantenbank Delpher van de Koninklijke Bibliotheek, kaartbladen van het Kadaster vanaf 1815, de landelijke adres- en gebouwenregisters en archieven, beeldbanken en websites over de plaats. Onder elk hoofdstuk staat waar het vandaan komt, zodat je het zelf kunt nalopen; de volledige lijst staat achterin.
Wat niet vaststaat, heet in de tekst een vermoeden. Wat dit boek niet weet, staat achterin bij elkaar, met waar je verder kunt zoeken.
Twee dingen blijven er bewust buiten. Namen staan er alleen waar iemand ze zelf openbaar maakte — een zaak die adverteert, een bekendmaking van de gemeente. Familieberichten, registers, kinderen en slachtoffers blijven eruit, en over wie er nu woont staat er niets. Een tekening is een illustratie, nooit een reconstructie van wat werkelijk gebeurde.
Van dit boek is één exemplaar gedrukt.
2Steeds dezelfde uitsnede, van oud naar nieuw. Het teken in het midden is de plek van dit huis.



Dezelfde uitsnede, verder in de tijd.



Op 31 mei 1981 vliegt luchtfotograaf H. Snelleman over het zuidoosten van Apeldoorn. Hij maakt die dag een reeks opnamen van de wijk De Maten, en op één ervan staat een buurt die nog niet af is. Het archief van CODA, het Apeldoornse museum en archief dat de foto bewaart, beschrijft wat erop te zien is met twee straatnamen en twee dezelfde woorden: Jaromirgaarde in aanbouw, Gijsbrechtgaarde in aanbouw.
Wie de foto rustig bekijkt, ziet een bouwplaats die bijna klaar is. De rijen huizen staan er, met donkere pannendaken en dakkapellen, maar ze staan in kaal zand. Er liggen nog geen tuinen, geen klinkers, geen hagen. Tussen de blokken staan bouwketen en een loods met een rond dak. Zandwegen tekenen al de lussen waarlangs later de volgende rijen komen. Daarachter begint het park, met slingerende waterlopen en jonge aanplant. Op de voorgrond loopt een brede laan met een bus erop, en daar weer vóór ligt een buurt die al jaren bewoond is, met volgroeide tuinen.
Ergens in dat zand staat het huis dat nu Gijsbrechtgaarde 911 heet. Welk dak het precies is, valt op de foto niet met zekerheid aan te wijzen, en dit boek doet daar dan ook geen gok naar. Wat de foto wel laat zien, is het moment waarop dit stuk land van gedaante verandert. Tien jaar eerder was het grasland. Honderd jaar eerder was het heide en hooiland, zo nat dat niemand er wilde wonen. Dit boek vertelt hoe het ene in het andere overging, en waarom de straat eruitziet zoals je haar kent: zonder rechte lijnen, met het park om de hoek en met een naam uit de middeleeuwen.
Bronnen: CODA Apeldoorn; Kadaster.

Apeldoorn ligt op een helling. Aan de westkant rijst de Veluwe op, een hoge rug van zand en grind die in de ijstijd is opgestuwd. Aan de oostkant ligt de IJssel. Daartussen, in de laagte, komt het regenwater dat op de Veluwe in de grond zakt weer naar boven. Dat opwellende grondwater heet kwel. De plek waar nu De Maten ligt, was zo'n kwelgebied. Tot in de dertiende eeuw bestond deze strook voor een groot deel uit veen, moeras en moerasbos, en ook daarna bleef juist het deel ten zuidoosten van Apeldoorn nog lang onontgonnen.
De grond was van niemand in het bijzonder en van iedereen een beetje. Zulke woeste gronden waren gemeenschappelijk bezit van een mark: een middeleeuwse organisatie van boeren die samen afspraken wie waar zijn schapen mocht weiden en plaggen mocht steken. Hier was dat de Worminger mark, genoemd naar het boerengehucht Wormingen, dat ook Wornum of Wormen werd genoemd en vlak ten zuidoosten van het dorp Apeldoorn lag. Het lage land daarachter heette het Wormensche Veld.
Dat veld werd stukje bij beetje in gebruik genomen, en vooral als hooiland. Voor akkers was het te nat, en ook om vee te laten grazen was het op veel plaatsen te drassig. Gras maaien kon wel. Daar komt de naam van de wijk vandaan: een maat of made is een oud woord voor een stuk grasland dat gemaaid wordt. De eerste hooilanden lagen op de iets hogere zandruggen, in grillige kavels langs kronkelende paden. De heide eromheen bleef in gebruik om plaggen en turf te steken en schapen te weiden. Pas in de negentiende eeuw werd ook die heide omgezet in grasland, nu in rechte, regelmatige stroken.
De grond onder het huis hoorde bij het deel dat het langst wachtte. Achter in dit boek staat wat het eerste kadaster in 1832 over het perceel opschreef, en dat is één woord: heide. Ook het kaartblad van rond 1900 kleurt de plek nog als heide, met een smal bosje ernaast.
Wie in de negentiende eeuw een boerderijtje in Wormen pachtte, kreeg er vaak een stuk hooiland in de Maten bij: laag, nat grasland dat niet geschikt was als akker en dat één of twee keer per jaar werd gemaaid. De Apeldoornsche Courant van 5 augustus 1871 laat zien hoe dat ging. Een notaris kondigt de openbare verpachting aan van een kleine boerderij in Wormingen, voor zes jaar en in drie delen: het huis met grond, een stuk grond aan het kanaal en, als derde, een hooiland in de Maten van ongeveer tweeënhalve hectare. Vier jaar eerder, in juni 1867, stond in dezelfde krant de verkoop van een weiland in het Wormensche veld, als één van acht percelen uit een nalatenschap.

Het zijn kleine advertenties, maar ze zeggen veel over de plek. De boeren woonden in Wormen, op de droge grond bij het dorp. In de Maten woonden ze niet; daar gingen ze heen om te maaien. Het hooi ging mee naar huis als wintervoer. Het land waar nu duizenden huizen staan, was tot ver in de negentiende eeuw een achterland: nuttig, maar leeg.
Bronnen: Gemeente Apeldoorn / STOA; Apeldoornsche courant, 1 juni 1867 en 5 augustus 1871.

Aan het eind van de negentiende eeuw kreeg de heide in het Wormensche Veld bezoek van mensen met een plan. De Oranjebond van Orde, een liefdadige vereniging die zich inzette voor mensen die het slecht hadden, richtte in 1892 de Ericastichting op. De naam kwam van de plant die er groeide: erica is de Latijnse naam voor dopheide. De stichting wilde een vraag beantwoorden die toen veel mensen bezighield. Kon een arm gezin op een klein stuk ontgonnen heide zijn eigen brood verdienen?
De Oranjebond van Orde liet op de heide vijf gelijke boerderijtjes bouwen, elk met ruim vier hectare grond, om te beproeven of een gezin daarvan kon leven. Ze kwamen aan een nieuwe, kaarsrechte weg te staan, die voor de ontginning werd aangelegd en de In 't Veldlaan ging heten. In de Arnhemsche Courant van 5 oktober 1895 legde het hoofdbestuur uit hoe de proef werkte. De vijf hoeven lagen bij elkaar langs de spoorlijn, op ongeveer drie kwartier lopen van het dorp. Van elke hoeve was al anderhalve hectare in grasland veranderd; de rest moest de boer zelf ontginnen.
De voorwaarden waren streng. Een pachter betaalde elk jaar drie procent van het geld dat in zijn boerderij was gestoken. Hij moest zelf al wat vee meebrengen, en hij mocht geen paard en geen os houden: het werk moest met de hand. Over wat hij verbouwde, had hij zich te schikken naar deskundigen. Na twee jaar huur kon hij, als de bond tevreden was, de hoeve voor dertig jaar in erfpacht krijgen, een langdurig gebruiksrecht tegen een jaarlijks bedrag. Drie van de vijf boerderijen waren in het najaar van 1895 verhuurd aan gezinnen uit de buurt. Voor de andere twee zocht de bond nog mensen, en wie belangstelling had kon zich melden bij majoor In 't Velt in Apeldoorn.

Arnhemsche Courant, 5 oktober 1895Zij mogen paard noch os houden.

Het bericht verbloemde niets. De grond was volgens het bestuur goed in zijn soort, maar wie zich aanmeldde moest weten dat hij hard zou moeten werken, en gezinnen met veel werkende handen kregen de voorkeur. Hoe het de pachters verging, vertelt de krant niet. Wel is bekend dat de stichting later werd overgenomen door de Koninklijke Nederlandse Heidemaatschappij, en dat de boeren rond 1911 de kans kregen hun pachtboerderij te kopen.
Van de vijf boerderijtjes staat er geen meer. Wat bleef, zijn lijnen in het landschap. In het noordoosten van de wijk ligt nog het smalle, rechte eikenlaantje dat nu Ericastichting heet; dat is de oude weg van rond 1894. En iets zuidelijker liep de Ericaweg. Op het kaartblad van rond 1965, verderop in dit boek, loopt die weg vlak langs de plek waar nu het huis staat, met het woord Erica erbij gedrukt. In het veld is de Ericaweg niet meer te herkennen, maar volgens het cultuurhistorisch onderzoek dat de gemeente
liet doen, is haar lijn op de kaart nog terug te vinden in het patroon van watersingels en straten. Ook de Laan van Erica, de hoofdweg in het noorden van de wijk, draagt de naam van de heide verder.
Bronnen: Gemeente Apeldoorn / STOA; Arnhemsche courant, 5 oktober 1895.
Terwijl in het veld werd gemaaid en ontgonnen, kreeg het gebied twee harde randen. De eerste was het Apeldoorns Kanaal. Tussen 1825 en 1829 was al een kanaal gegraven van Hattem naar Apeldoorn. Tussen 1858 en 1868 werd het naar het zuiden verlengd tot aan de IJssel bij Dieren, zodat schepen met zware vracht de rand van de Veluwe konden bereiken. Op de kanaaldijk kwam een weg, en langs die weg groeide langzaam een lint van boerderijen, huizen en bedrijfjes. Hoe verder van het dorp, hoe dunner het lint.
De tweede rand was de spoorlijn van Apeldoorn naar Zutphen, die in 1876 openging en iets verhoogd door het land loopt. Kanaal en spoor samen vormen een wig, een taartpunt met de punt naar de stad. Binnen die wig lag het Wormensche Veld, en daar lag het nog lang ongestoord. De gemeente zette rond 1920 haar vuilnisbelt aan het kanaal, en in de jaren dertig kwamen er hier en daar huizen en boerderijen bij, maar tot in de jaren vijftig groeide Apeldoorn vrijwel alleen aan de andere kant van het water.
Na de bevrijding veranderde dat. Apeldoorn had in 1945 ongeveer tweeduizend woningen te weinig, en in 1949 was dat tekort opgelopen tot 3346. De stad was minder zwaar getroffen dan Arnhem of Nijmegen, maar ze groeide harder dan bijna elke andere gemeente in het land. Er werd veel getrouwd, er werden veel kinderen geboren, er kwamen mensen terug uit Nederlands-Indië en er kwam industrie. De vraag naar huizen bleef het aanbod jarenlang ver vooruit.
In de plannen van die jaren had het land achter het kanaal nog een bescheiden rol. Het grote uitbreidingsplan van 1948 en 1949 tekende er vooral landbouwgrond, met een strook industrie langs het kanaal. Pas in
1960 verscheen op de plankaart voor het eerst een woonwijk met de naam Maten, op de plek waar tot dan toe fabrieken waren gedacht.
Dat had met Den Haag te maken. De regering wilde de drukke Randstad ontlasten en wees steden aan die mensen, bedrijven en rijksdiensten moesten opvangen. Apeldoorn werd zo'n overloopstad, en het Rijk verhuisde een groot deel van zijn belastingkantoren hierheen. Op het gemeentehuis ontstond het idee dat Apeldoorn de 'Tweede Schrijftafel' van Nederland kon worden, een tweede kantoorstad naast Den Haag. Philips, TNO en Centraal Beheer vestigden zich in de stad. De gemeente rekende op 75.000 nieuwe inwoners en op een stad van 259.000 mensen. Zo groot is Apeldoorn nooit geworden, want buiten de Belastingdienst bleven de rijksdiensten weg. Maar de wijk die voor al die nieuwkomers werd bedacht, kwam er wel.
Bronnen: Gemeente Apeldoorn / STOA.
Het eerste plan voor De Maten kwam in 1965 van de gemeentelijke stedenbouwkundige ir. Dick Delver. Hij had met zijn dienst nieuwe wijken in Nederland en West-Duitsland bekeken en tekende een wijk van zesduizend woningen. De hoofdweg kreeg de vorm van een stemvork, het U-vormige staafje waarmee een dirigent de toon aangeeft. De steel sloot aan op de stad; langs de twee tanden lagen de woonbuurten in stroken. In het midden, tussen de tanden, bleef een grote groene ruimte open. Daarin kwam ook water, en dat was geen versiering. Het grondwater stond hier zo hoog dat de wijk alleen droog kon blijven met een net van sloten en vijvers.
Het plan was nauwkeurig tot op het huizenblok, en precies dat werd het probleem. In de loop van de jaren zestig groeide de kritiek op grote, eenvormige nieuwbouwwijken. Zevenhuizen, de wijk die Apeldoorn op dat moment aan de overkant van het kanaal bouwde, met rechte stroken en veel hoge flats, gold als voorbeeld van hoe het niet moest: snel en goedkoop, maar saai. De gemeente besloot dat De Maten iets anders zou worden: laag gebouwd, afwisselend, met veel groen en met inspraak van de mensen die er gingen wonen.
Voor die nieuwe aanpak vroeg de gemeente twee bekende architecten, Aldo van Eyck en Dick Apon. Van Eyck zou de grote lijnen van de wijk tekenen, Apon de invulling. Van Eyck wilde de stemvork houden. Met de grote vijver in het midden had hij moeite, want het grondwater bleek veel ijzer te bevatten. Daardoor was het bruin van kleur en weinig geschikt voor planten en dieren. Hij stelde voor de waterstand te regelen met singels, lange waterlopen die het land ontwateren. De woningen wilde hij in groepen
van ongeveer vijfhonderd laten ontwerpen door steeds andere architecten, zodat geen buurt op de andere zou lijken.
Een uitvoerbaar plan werd het niet. In april 1970 gaven Van Eyck en Apon de opdracht terug. Er was te weinig geld om te bouwen wat zij voor ogen hadden, en de gemeente had haast, want de woningnood drong. Trouw schreef een jaar later dat de samenwerking was stukgelopen doordat ideaal en werkelijkheidszin botsten. Twee stedenbouwkundigen van de Stedenbouwkundige Dienst voor de Oost-Veluwe, Klaas Liesker en Willem de Stigter, namen het werk over. Zij hielden de stemvork van Delver aan en namen van Van Eyck en Apon de afwisseling en de kleine schaal over.
Hun bestemmingsplan van 1972 ging uit van negenduizend woningen, waarvan zeventig tot tachtig procent laagbouw. De wijk werd opgebouwd uit kleine eenheden. De kleinste was het woonerf: een pleintje tussen de huizen met maar één ingang voor auto's, waar de voetganger en het spelende kind voorgaan. Een woonbrink was hetzelfde, maar met twee ingangen, zodat er ook een auto doorheen kon. Een aantal erven samen deelde een buurtmidden, een autovrije ruimte met een trapveldje. De buurten lagen als een lus om het park heen. Wie er woonde, mocht meepraten over de indeling van zijn huis, zijn tuin en zijn erf.
Op 30 mei 1973 wijdde Trouw een hele pagina aan de wijk in aanbouw. De verslaggever had plezier in het beeld van de stemvork en schreef dat de stedenbouwers blijkbaar hoopten dat de dertigduizend bewoners, als ze al niet zuiver zouden samenzingen, toch in harmonie zouden samenwonen.
Hij legde uit dat de huizen aan erven werden gebouwd, dat de buurtmiddens samen één groen lint vormden en dat midden in de wijk een 'groene long' kwam te liggen. Gebouwd werd er buiten de tanden van de stemvork. De ruimte ertussen bleef open.
Die open ruimte is de plek van dit verhaal. In 1973 was het midden van de stemvork nog gras en water op een schets. Het zou nog jaren leeg blijven, terwijl eromheen de ene buurt na de andere verrees. De Gijsbrechtgaarde kwam pas aan het eind van dat decennium op de tekentafel.
Dezelfde krantenpagina noemde ook een zorg: de wijk lag ingeklemd tussen vier barrières. Dat waren het kanaal, de spoorlijn en twee nieuwe snelwegen, de huidige A1 en A50, die in dezelfde jaren werden aangelegd. Hoe de bewoners de wijk uit moesten komen, was nog onderwerp van overleg. De Spoorwegen hadden in 1972 zelfs bezwaar gemaakt tegen het bestemmingsplan, omdat er bij het tekenen van de wijk geen rekening was gehouden met een mogelijke halte. Het station kwam er uiteindelijk, maar pas in 2006.
Bronnen: Gemeente Apeldoorn / STOA; Trouw, 28 september 1971, 31 oktober 1972 en 30 mei 1973; Wikipedia.
In 1972 kreeg het eerste gezin van De Maten zijn sleutel, van een huis aan de Kooikersdreef. Die eerste woningen stonden min of meer midden in de weilanden. Straatlantaarns en winkels kwamen later. In hetzelfde jaar ging het kanaal dicht voor de scheepvaart, omdat trein en vrachtwagen het vervoer hadden overgenomen. Het land achter het water hield op achterland te zijn op het moment dat het water zelf zijn werk verloor.
Een jaar later, in juni 1973, meldde het Nederlands Dagblad dat de eerste bewoners hun huizen hadden betrokken. De wijk zou veel groen en weinig hoogbouw krijgen, en veel verschil in uiterlijk en grootte van de woningen. Burgemeester F.Th. Dijckmeester zei dat iedereen die bij de wijk betrokken was, had geprobeerd er 'iets moois' van te maken.
Niet iedereen was meteen overtuigd. Trouw zag in mei 1973 bordjes 'Te huur' in de nieuwe wijk, terwijl Apeldoorn 2500 woningzoekenden telde: de huizen die klaar waren, waren voor veel mensen te duur. De krant beschreef ook de huizen zelf, met uitbouwen en opbouwen en met gevels die ten opzichte van elkaar verspringen. Dat laatste gaf privacy, maar volgens de verslaggever vond niet iedereen de vele blinde muren mooi. Voor gezinnen met een bescheiden inkomen kwamen er driehonderd tot vierhonderd koopwoningen die in het eerste jaar 200 tot 250 gulden per maand kostten. Wie er een wilde, moest een goedkope huurwoning achterlaten, zodat die weer vrijkwam voor iemand anders.
In april 1975 lag de bouw van sociale huurwoningen in De Maten een paar weken stil. Burgemeester en wethouders weigerden te beginnen aan 209
woningwetwoningen, huurhuizen die met geld van het Rijk werden gebouwd. De reden was de grondprijs. De gemeente had per woning 11.000 gulden aan grond berekend en kwam inmiddels op 13.000 uit, maar de minister wilde niet meer dan 10.000 gulden toestaan. Het verschil zou de gemeente zelf moeten bijleggen. Begin mei trok het college de bouwstop in, omdat het overleg met het ministerie uitzicht bood op een oplossing, en begon het werk aan een complex van 219 woningen.
De Maten werd in die jaren ook een plek waar dingen werden uitgeprobeerd. Het Rijk kende vanaf 1968 het predicaat 'experimenteel' toe aan bouwplannen die afweken van het gewone, en gaf er 3000 gulden subsidie per woning bij. Twee projecten in De Maten kregen het. In Matendreef bouwde het Amsterdamse bureau Elling huizen die ten opzichte van elkaar verspringen, zodat elk huis evenveel zon en evenveel privacy kreeg. In Matenveld tekende architect Adrie van Duivenboden 38 sobere huizen op driehoekige kavels, bedoeld om door de bewoners zelf te worden uitgebreid.
Wie weinig geld had en twee rechterhanden, kon in 1975 een kaskowoning kopen. Kasko betekent dat alleen de romp werd opgeleverd: muren, dak, vloeren. De rest bouwde de koper zelf af. Trouw schreef in april van dat jaar over 42 van zulke huizen in De Maten. Nooit eerder was in Nederland een project gebouwd waarin kopers zo veel zelf moesten doen, en de belangstellenden hadden er volgens de krant letterlijk voor in de rij gestaan.
Begin 1978 kwamen er zonnewoningen bij. Apeldoorn was na Oss, Eindhoven en Zoetermeer de vierde gemeente waar onderzoekers probeerden huizen met zonnewarmte te verwarmen, en het gebeurde hier in gewone huurwoningen. Nieuw was de opslag. De warmte die de collectoren overdag opvingen, werd niet bewaard in een groot watervat maar in de betonnen vloeren. De installatie was bedacht en betaald door het VEG-Gasinstituut, het onderzoeksinstituut van de gasbedrijven, dat zelf een paar jaar eerder van Rijswijk naar de rand van De Maten was verhuisd. Deskundigen verwachtten dat het zo'n dertig procent gas zou besparen.
Intussen begon de wijk op te vallen. Het Algemeen Dagblad stuurde in juli 1975 zijn lezers er als uitstapje naartoe. De krant beschreef huizen met platte daken, schuine daken en tentdaken, koop en huur door elkaar, vaak verschillende soorten aan één hofje. De bewoners konden hun huis niet helemaal met de auto bereiken; het laatste stukje moest worden gelopen. En waar wel auto's reden, konden ze niet hard, vanwege grote kuilen, hoge bulten en kronkelstraatjes. Die kuilen en bulten, stelde de krant haar lezers gerust, kwamen niet door slordig wegenwerk. Ze hoorden erbij.
De verkeersdrempel was in die jaren nog zo nieuw dat de krant moest uitleggen dat hij er met opzet lag. Niet iedereen raakte eraan gewend. In september 1982 klaagden de chauffeurs van de Veluwse Autodienst dat ze van het rijden over al die verhogingen rugklachten kregen, en ze overwogen de wijk te mijden. De gemeente had toen al toegezegd zoveel obstakels af te vlakken als verantwoord was.
Het tempo lag hoog. In september 1978 vertelde de voorlichter van de gemeente aan De Telegraaf dat Apeldoorn ongeveer 1100 woningen per jaar bouwde, drie per dag, en dat de bouw zich de komende jaren vooral op De
Maten zou richten. Van de tienduizend woningen die de wijk moest krijgen, stonden er zesduizend. Hoge flats waren volgens hem uit den boze. Het midden van de stemvork was op dat moment nog leeg.
Bronnen: Het Grote Verhaal van Apeldoorn; Wikipedia; Gemeente Apeldoorn / STOA; Nederlands Dagblad, 4 juni 1973 en 13 januari 1978; Trouw, 5 berichten (1973–1982); NRC Handelsblad, 17 april 1975; Algemeen Dagblad, 11 juli 1975; De Telegraaf, 30 september 1978.
Het midden van De Maten had op de plankaarten een eigen naam: Matengaarde. Een gaarde is een oud woord voor tuin of boomgaard, en in de eerste jaren werd met de naam vooral het park bedoeld. Een makelaar bood in maart 1978 in De Telegraaf een semibungalow aan waarvan de tuin grensde aan 'park Matengaarde', met blijvend vrij uitzicht. Het park zelf, het Matenpark, was tussen 1972 en 1975 aangelegd naar ontwerp van landschapsarchitect H. Barkhof, met een waterloop die uitkomt in een grote vijver.
Dat het midden toch bebouwd raakte, kwam door een rekensom. In 1976 werd het bestemmingsplan herzien en ging het aantal woningen omhoog van negenduizend naar ruim elfduizend. Het park werd kleiner en raakte zijn open verbinding met het buitengebied kwijt. Tegelijk werd het geplande wijkcentrum, dat eerst als een brug over het park was gedacht, teruggebracht tot één helft. Doordat de andere helft verviel, moest de stemvork aan de open kant worden dichtgemaakt. Zo werd de stemvork een ring, en het land daarbinnen een eiland met het park, de voorzieningen van de wijk en een paar woonbuurten.
Toen de bouw van die woonbuurten begon, was de stemming in het land omgeslagen. In 1979 kondigde zich een recessie aan, en dat is volgens het cultuurhistorisch onderzoek aan de huizen van die jaren af te lezen: ze werden kleiner. De experimenten van de vroege jaren, met platte daken en huizen die je kon uitbreiden, maakten plaats voor wat het onderzoek traditioneel noemt: bakstenen gevels, schuine pannendaken, twee woonlagen en vaak een kleine uitbouw aan de straatkant, die de overgang vormt tussen de openbare straat en het eigen huis.
In die tijd en in die stijl is Gijsbrechtgaarde 911 gebouwd. Het staat in een korte rij van vijf huizen, de nummers 508 tot en met 512, en het is daarvan het vierde. Het kadaster, dat van elk gebouw in Nederland de omtrek bijhoudt, tekent het huis als een rechthoek van krap zes meter breed en bijna tien meter diep. Aan de uiteinden van de rij staan de nummers 507 en 513, die een kwartslag gedraaid zijn en iets kleiner uitvallen. Zo'n gedraaide kop is kenmerkend voor de wijk: ze breekt de rij en maakt van een straat een hoek.
Over het bouwjaar zijn de bronnen het net niet eens. In een wijk die in één lange stroom werd gebouwd, is dat niet vreemd. Het gebouwenregister noemt nu 1980 en steunt daarbij op een stuk van 31 oktober van dat jaar, waarschijnlijk de bouwvergunning. Het nummer van dat stuk begint met 1979, wat doet vermoeden dat de aanvraag al een jaar eerder was ingediend. Tot voor kort gaf hetzelfde register 1982 als bouwjaar. En op de luchtfoto van 31 mei 1981 heet de straat nog 'in aanbouw'. Samen vertellen ze een gewoon bouwverhaal: eerst een plan, dan een vergunning, dan een jaar of twee van metselen en timmeren. De schuurtjes achter de rij kwamen volgens het register in 1982, en de huizen aan het begin van dezelfde zijstraat volgden in 1983.
Een tweede luchtfoto van diezelfde 31 mei 1981 laat de bouwplaats zien vanaf de andere kant, met het park erachter. Rechts staat een benzinestation met een geel dak aan de laan, links staat een blok waarvan het dak nog open ligt. Verderop in het park staan de schoolgebouwen waarvan het archief de naam geeft: het Edison College, met daarnaast het medisch centrum. De waterlopen in het park hebben op de kleurenfoto een roestbruine tint. Dat is het ijzer in het grondwater waarover Aldo van Eyck zich tien jaar eerder al zorgen maakte.

Alle straten in De Maten eindigen op de naam van hun buurt. In Matendreef heten ze dreef, in Matenhorst horst, en in Matengaarde dus gaarde. Voor het eerste deel van de naam koos de gemeente in de meeste buurten oude ambachten: Kooikersdreef, Rietdekkersdreef, Houtsnijdershorst. Matengaarde kreeg namen uit oude verhalen. Het register telt er tien, waaronder de Arthurgaarde, de Elegastgaarde, de Waleweingaarde, de Ferguutgaarde en de Beatrijsgaarde, allemaal helden en heldinnen uit middeleeuwse vertellingen.
Bij Gijsbrecht ligt het voor de hand aan Gijsbrecht van Aemstel te denken, de hoofdpersoon van het toneelstuk dat Joost van den Vondel in 1637 schreef over de ondergang van het middeleeuwse Amsterdam. Het besluit waarin de gemeente de naam vaststelde, heeft dit boek niet gevonden; zeker is alleen het gezelschap waarin de straat verkeert. De naam geldt niet voor één straat, maar voor een heel buurtje van zijstraten en erven. De honderdtallen in de huisnummers geven daarbij vaak de zijstraat aan.
Het voorjaar van 1981 bracht hoog bezoek naar het midden van de wijk. Op 18 maart werd in heel Nederland de vijfentwintigste Nationale Boomfeestdag gevierd, de dag waarop schoolkinderen bomen planten. De eerste was in 1957 in Apeldoorn gehouden, en daarom vond de officiële viering van het jubileum daar opnieuw plaats, in het deel van het Matenpark dat net gereed was. Prinses Margriet en prins Bernhard plantten een boom, net als de minister van Landbouw, de burgemeester en ruim vierhonderd Apeldoornse schoolkinderen.
De Telegraaf schreef een dag later dat de boompjes de grond in gingen op 'de nu nog kale vlakte' van het park in wording. Dat is dezelfde kale vlakte die twee maanden later op de luchtfoto's staat. Wie nu vanaf de Gijsbrechtgaarde het park in loopt, loopt dus voor een deel onder bomen die in het bouwjaar van de straat door kinderen zijn geplant. Rond 1980 kreeg het park ook een heemtuin, een tuin met alleen inheemse planten, die in het klein de overgang van de hoge Veluwe naar het lage IJsseldal nabootst.
Langs de rand van het park kwamen de voorzieningen voor de hele wijk te liggen, aan de binnenkant van de ring. Het cultuurhistorisch onderzoek somt ze op: een middelbare school, een sporthal en een medisch centrum aan de Waleweingaarde, de brandweer, het politiebureau en een verpleeghuis aan de Beatrijsgaarde, de kinderboerderij aan de Pallietergaarde, en aan de Gijsbrechtgaarde zelf een bejaardentehuis en een kerk. Die kinderboerderij is ouder dan alles eromheen. Het is een forse boerderij uit de jaren dertig, een van de weinige gebouwen uit het oude veld die de wijk hebben overleefd.
Het winkelcentrum De Eglantier, aan de rand van het park, werd tussen 1974 en 1981 ontworpen. Het grootste deel is van architect Ton Alberts, die er geen overdekte winkelhal van maakte maar een stadje van baksteen, met pleintjes, steegjes en woningen boven de winkels, naar binnen gekeerd als een ommuurde stad uit de middeleeuwen. En in oktober 1982 stond in De Telegraaf een partycentrum annex restaurant te koop met de naam De Matengaarde, 'gelegen in de nieuwe wijk de Maten', met een zaal voor 180
gasten en een geheel nieuwe inventaris. De buurt was nog geen twee jaar oud en had al een feestzaal die haar naam droeg.
Bronnen: Gemeente Apeldoorn / STOA; De Telegraaf, 25 maart 1978, 19 maart 1981 en 23 oktober 1982; Kadaster / PDOK; Kadaster; CODA Apeldoorn; Wikipedia; Trouw, 17 maart 1981.
Op 21 mei 1986, bijna precies vijf jaar na zijn eerste vlucht, fotografeerde Snelleman de buurt opnieuw. Het verschil is groot. Het zand is weg. De rijen liggen in het groen, de erven zijn bestraat, in de tuinen staan schuttingen en struiken. Het benzinestation met het gele dak staat er nog, zodat je de twee foto's naast elkaar kunt leggen. Op de plek waar in 1981 alleen zandwegen hun lussen trokken, staan nu de volgende rijen. Links van de buurt ligt nog een groot weiland, midden in de wijk.
De Maten raakte in die jaren vol. Het hoogste aantal inwoners werd bereikt in 1991: 32.257. Daarna daalde het, zoals in elke wijk waar de kinderen van de eerste bewoners het huis uit gaan, tot ongeveer 26.000. Op 10 december 2006 kreeg de wijk haar eigen station aan de lijn naar Zutphen, de halte waar de Spoorwegen in 1972 al om hadden gevraagd.
De manier van bouwen waarmee De Maten in de jaren zeventig opviel, wordt inmiddels als erfgoed gezien. Het onderzoek dat de gemeente liet maken, noemt de opbouw in kleine eenheden 'met een menselijke maat', oplopend van erf naar buurt naar wijk, van wezenlijk belang voor het karakter van De Maten. Het raadt aan het groen en het water op alle niveaus te behouden en zuinig te zijn met het verkopen van openbaar groen aan bewoners. Grote blikvangers passen volgens de onderzoekers niet bij de wijk. De Maten heeft geen toren of monument waarop je je kunt richten, en dat is met opzet zo.
De wijk bleef intussen veranderen aan haar randen. In het najaar van 1995 fotografeerde Snelleman de Matenpoort, de steel van de oude stemvork en nog altijd de hoofdingang van de wijk, op het moment dat daar een rotonde werd aangelegd. Het archief noemt bij dezelfde foto ook een verzorgingscentrum en een kerk; het onderzoek van de gemeente plaatst een bejaardentehuis en een kerk aan de Gijsbrechtgaarde.


Wie weet waar hij moet kijken, vindt het oude Wormensche Veld nog terug. Het kanaal ligt er nog, met de bomenlaan op de kade. De spoorlijn ligt er nog. In het noordoosten staat aan de Barnewinkel een grote boerderij uit 1928, en daar vlakbij loopt het eikenlaantje van de Ericastichting. Langs de zuidrand volgt de kaarsrechte Landdrostlaan de oude Langedijk; je herkent haar juist doordat ze recht is, in een wijk waar verder alles kronkelt. En bij een speelveldje aan het Schepenenveld staan bomen die het restant zijn van een houtsingel die er rond 1900 al was.
Het water is er ook nog. De singels en vijvers van de wijk doen hetzelfde werk als de sloten van de hooiboeren: ze houden een nat stuk land droog genoeg om te gebruiken. De wijk is gebouwd op een plek die zich altijd heeft laten kennen aan haar water, en ze heeft dat niet weggestopt maar in het ontwerp opgenomen.
Gijsbrechtgaarde 911 is een van de ongeveer elfduizend huizen van De Maten en het staat binnen de ring, in het midden dat het langst open bleef. Het is geen bijzonder huis in de zin dat er een architectennaam aan vastzit of een gebeurtenis die de krant haalde. Zijn geschiedenis zit in de plek. Onder de tuin ligt grond die eeuwenlang alleen werd bezocht door mensen met een zeis, daarna door pachters die met de hand de hei omspitten, en daarna door tekenaars die er een stemvork overheen legden. Het huis staat precies in het stuk dat op al die tekeningen leeg bleef, tot het rond 1980 alsnog aan de beurt kwam.
Bronnen: CODA Apeldoorn; Wikipedia; Trouw, 31 oktober 1972; Gemeente Apeldoorn / STOA.
Wie het huis ontwierp en wie het bouwde, is niet gevonden. De BAG verwijst voor de eerste registratie naar een document met nummer 1979/0572/A van 31 oktober 1980. Dat is het spoor om te volgen: vraag bij het archief van CODA in Apeldoorn, dat volgens het cultuurhistorisch onderzoek de bouwvergunningen van de gemeente bewaart, naar het dossier met dat nummer. Daarin horen de tekeningen en de naam van de architect te zitten.
Wie het bouwdossier zoekt, hoeft daarvoor niet naar het Gelders Archief in Arnhem of naar de streekarchieven eromheen. De gemeente Apeldoorn heeft haar bouwvergunningen ondergebracht bij CODA, en het onderzoek naar de wijk heeft ze daar ook geraadpleegd.
Het precieze bouwjaar blijft een vraag. De BAG gaf tot december 2024 het jaar 1982 en geeft nu 1980, en de luchtfoto van 31 mei 1981 noemt de straat in aanbouw. Het bouwdossier bevat gewoonlijk ook de datum waarop het huis gereed werd gemeld.
Of de woningen van de Gijsbrechtgaarde als koop- of als huurwoning zijn gebouwd, en door welke bouwer of woningbouwvereniging, staat in geen van de gevonden bronnen. Het archief van de Stedenbouwkundige Dienst voor de Oost-Veluwe over 1969 tot 1985, bij CODA, is de plek om te zoeken.
Het raadsbesluit waarmee de naam Gijsbrechtgaarde werd vastgesteld, is niet gevonden. De verwijzing naar Gijsbrecht van Aemstel is daarom een aanname. De notulen van de gemeenteraad en de stukken van de straatnamencommissie uit de jaren 1978 tot 1980, bij CODA, kunnen dat beslissen.
De plaatselijke kranten van na 1950 zijn niet doorzoekbaar in de landelijke krantenbank. Het dagelijkse nieuws over de bouw van Matengaarde, zoals opleveringen, de opening van De Eglantier en de inrichting van de erven, moet in die kranten staan. CODA bewaart ze.
Welke van de vijf boerderijtjes van de Ericastichting waar stond, en wanneer ze zijn verdwenen, is niet uitgezocht. Het archief van de Heidemaatschappij en de kadastrale kaarten van rond 1900 zijn daarvoor de ingang.
Bronnen: Kadaster; Gemeente Apeldoorn / STOA; CODA Apeldoorn; Wikipedia; Kadaster / PDOK.
Dit huis in Apeldoorn werd gebouwd in 1980. Wat er in de registers over vastligt, past op deze bladzijde. Al het andere staat op de volgende.
115m²Woonoppervlakvolgens de BAG
1980Bouwjaarvan het pand, niet van de woning
11,5mBoven NAPde hoogte van het maaiveld
246Adressen in de straat
AC99999Kadastraal perceel149 m² grond onder het hele pand
3Adressen onder één dak
Basisregistratie Adressen en Gebouwen, Kadaster via PDOK en het Actueel Hoogtebestand Nederland.
38Woonoppervlak en perceel staan vlak onder elkaar, maar ze meten niet hetzelfde. De 115 vierkante meter is de vloer binnen de muren van deze woning. De 149 vierkante meter van perceel AC 99999 is de grond eronder, en die grond hoort bij het pand als geheel.
Het bouwjaar is minder precies dan het lijkt: er hoort geen maand bij en geen dag, alleen 1980. In welk seizoen de eerste bewoners hun sleutel kregen, is dus nergens vastgelegd.
Over het licht valt wél alles uit te rekenen. Op 21 juni komt de zon hier rond kwart over vijf op en gaat rond tien uur ’s avonds onder, en staat hij ’s middags 61 graden boven de horizon. Op 21 december duurt de dag nog geen acht uur en komt de zon niet verder dan 14 graden: ruim negen uur licht verschil, op hetzelfde adres.

De eerste kadastrale kaart van Nederland, getekend tussen 1811 en 1832 voor de grondbelasting. De uitsnede toont de omgeving van het perceel onder dit adres; de nummers zijn de perceelnummers van toen.

HisGIS (https://hisgis.nl), kadaster 1832 · vrij te gebruiken met naamsvermelding
40In 1832 lag Gijsbrechtgaarde 911 op perceel Apeldoorn sectie G nr 164, in het register omschreven als heide. Wie de grond toen bezat, staat nog niet in de digitale versie van het kadaster; het perceel zelf is wel getekend. Eigendom is geen bewoning: het register zegt wie belasting over de grond betaalde, niet wie er sliep.
Apeldoornsectie G nr 164Perceelkadastrale gemeente, sectie en nummer uit het kadaster van 1832
heideGebruik in 1832zoals het kadaster van 1832 het noemt
Kadaster 1832, minuutplan Apeldoorn — via HisGIS (https://hisgis.nl), kadaster 1832
41Gemeten in Deelen, 18,1 km hiervandaan, van 1980 tot 2025. Het weer aan de gevel wijkt daar iets van af; de uiterste dagen en seizoenen niet veel.
1995/1996Strengste wintergemiddeld −0,8 °C van december tot februari in Deelen; 32 dagen bleef het de hele dag vriezen, op 9 februari 1996 tot −16,2 °C.
2018Heetste zomergemiddeld 19,2 °C van juni tot augustus in Deelen; 12 tropische dagen, de heetste op 26 juli 2018: 37,0 °C.
december1993Natste maand210 mm regen in Deelen, op 23 dagen minstens een millimeter.
8januari 1985Koudste nacht−24,2 °C in Deelen.
25juli 2019Warmste dag39,2 °C in Deelen.
28juli 2014Natste dag132 mm in Deelen.
KNMI, dagwaarden station Deelen (275), van 1980 tot 2025. Niet-gehomogeniseerde reeks; vrij te gebruiken met bronvermelding.
42Alles in dit boek komt uit bronnen die voor iedereen openstaan. Elk krantenbericht is terug te vinden via het webadres erachter; de registers en kaarten zijn opgehaald op het moment dat dit boek werd gemaakt.
Dit boek is geschreven uit openbare bronnen: kranten in Delpher, de krantenbank van de Koninklijke Bibliotheek; de cultuurhistorische analyse van De Maten die de gemeente Apeldoorn bij haar bestemmingsplan voegde; de luchtfoto's van CODA Apeldoorn; en de registers van het Kadaster.
Wat letterlijk is aangehaald, staat tussen aanhalingstekens en is nagelezen in de bron. Oude spelling en drukfouten zijn in de aanhalingen leesbaar gemaakt. Zo schrijft de krantenbank 'sternvork' waar in de krant zelf 'stemvork' staat.
De twee tekeningen in dit boek zijn illustraties. Ze laten zien hoe zulk land er ongeveer uitzag en zijn geen afbeelding van een bepaalde plek of gebeurtenis.
Over de mensen die in het huis hebben gewoond of er nu wonen, staat in dit boek met opzet niets.
Gemaakt voorGijsbrechtgaarde 911, Apeldoorn
OplageEén exemplaar
FormaatHardcover, A5 (148 × 210 mm)
LettersFraunces, Newsreader en IBM Plex Mono
UitgeverHuisbiografie · huisbiografie.nl
Samengesteld op 27 september 2026. Gemaakt uit bronnen die voor iedereen openstaan: registers, kaarten, kranten en bekendmakingen. Elke vondst is eerst apart bewaard en daarna pas in het verhaal gezet; een getekend beeld staat altijd als illustratie aangegeven. De credits van kaarten en beelden staan bij het beeld en in het bronnenoverzicht.
Namen staan er alleen waar iemand ze zelf openbaar liet maken — een zaak die adverteert, een bekendmaking van de gemeente. Familieberichten, registers, kinderen en slachtoffers blijven eruit, en over wie er nu woont staat er niets.
48Geef het cadeau: een boek over het huis van je ouders, een vriend of de buren.
Scan de code, of ga naar huisbiografie.nl
49